De gebruiker of een ander actief programma kan het programma starten. Als het programma door een ander programma wordt gestart, wordt een opstartsequentie gemaakt die uit bovenliggende en onderliggende processen bestaat.
Wanneer een programma toegang tot een beschermde bron probeert te krijgen, analyseert Controle van programmabevoegdheden alle bovenliggende processen van het programma om te bepalen of deze processen over toegangsrechten voor de beschermde bron beschikken. De regel van de laagste prioriteit wordt dan gehanteerd: wanneer de toegangsrechten van het programma worden vergeleken met die van het bovenliggende proces, worden de toegangsrechten met de laagste prioriteit toegepast op de activiteit van het programma.
De prioriteit van de toegangsrechten is als volgt:
Dit mechanisme voorkomt dat een niet-vertrouwd programma of een programma met beperkte rechten een vertrouwd programma gebruikt om acties uit te voeren waarvoor bepaalde bevoegdheden vereist zijn.
Als de activiteit van een programma wordt geblokkeerd wegens onvoldoende rechten die aan een bovenliggend proces worden verleend, kunt u deze rechten bewerken of de overname van de beperkingen van het bovenliggende proces uitschakelen.
Zo schakelt u de overname van de beperkingen van het bovenliggende proces uit:
Rechts in het venster ziet u de instellingen van het onderdeel Controle van programmabevoegdheden.
Hiermee opent u het tabblad Regels voor programmacontrole in het venster Controle van programmabevoegdheden.
Het venster Regels voor programmacontrole wordt geopend.